In de zomer en herfst 2007 behandelt de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa
het rapport “The dangers of creationism in education”
. In juni werd het door een voorstel van orde van de agenda afgevoerd, maar naar alle waarschijnlijkheid zal het in oktober 2007 weer aan de orde gesteld worden. (Op 14 september 2007 houdt het Committee vergadering en zal het vermoedelijk het rapport behandelen.)
Het rapport overdrijft de gevaren van het creationisme. Waarom zou wetenschapskritiek een gevaar voor de vrije democratie opleveren? Helaas wordt daarvoor geen argument gegeven. Als creationisme zo een groot gevaar voor vrijheid, democratie, vrede en mensenrechten is, verbaast het toch, das de Verenigde Staten niet allang een fundamentalistische godsstaat zijn die door gewelddadige creationisten geterroriseerd wordt. Ongeveer zo erg presenteert het rapport tenminste het gevaar. Reëel bezien krijg ik de indruk dat creationisten juist met legale middelen (wetsinitiatieven, aanroeping van de rechter) proberen hun ideeën te verspreiden. Zij dragen de staat dus mee. Daarnaast zijn de VS geenszins achterlijk; veeleer is hun wetenschappelijke productiviteit bijzonder hoog. Hoe laat zich dat rijmen met het veronderstelde gevaar van creationisme voor wetenschappelijk onderzoek?
De Draft Resolution overdrijft bovendien de positieve effecten van (biologische) evolutie op de natuurwetenschappen. Meerdere eeuwen was wetenschappelijk onderzoek geheel zonder moderne kennis van evolutie mogelijk. In grote delen van de scheikunde, in de natuurkunde en in de astronomie spelen biologische processen zoals evolutie geen enkele rol. Ik vermoed dat een aantal evolutiebiologen advies uitgebracht hebben en (zoals iedereen) de betekenis van hun eigen arbeid overschatten. Er bestaan ook fundamentele natuurkundige, scheikundige, wiskundige en andere theorieën die geenszins een kleinere invloed op het moderne onderzoek hebben dan evolutie. Evolutie moet niet prominenter onderwezen worden dan b.v. het atoommodel van Bohr, het periodiek systeem der elementen, of de relativiteitstheorie.
Het rapport overdrijft om ondersteuning te verkrijgen. Ondersteuning voor iets veel fundamentelers dan afwijzing van het creationisme, ondersteuning voor een bepaald dogma over de wetenschappen, dat zonder een dergelijk schrikbeeld nauwelijks kans zou maken door de Europaraad goedgekeurd te worden. Het dogma leert dat alle ware en betrouwbare kennis uit de natuurwetenschappen komt. Buiten de natuurwetenschappen zou geen echte kennis bestaan. De natuurwetenschappen als de Enige Heiland en Zaligmaker der mensen die hen van de diepten der onwetendheid verlost! Afgezien van het feit dat niet alle wetenschap ook natuurwetenschap is, is het een tamelijk eenzijdig begrip van kennis, en een tamelijk irreëel begrip van waarop mensen vertrouwen. Hoeveel mensen hebben zich bij de afgelopen verkiezingen door de resultaten van de natuurwetenschap laten leiden? Wie kiest zijn huwelijkspartner op basis van natuurwetenschappelijke kennis?
Het Memorandum porteert dus een bepaalde visie op natuurwetenschappen. Twee principiële vragen die daarbij horen behandelt het Memorandum helaas te oppervlakkig:
Antwoorden op deze vragen kan de natuurwetenschap niet geven, net zo als Münchhausen zich niet aan zijn eigen haar uit het moeras kan trekken. Wel is het mogelijk om over de consequenties van mogelijke antwoorden te filosoferen, maar binnen de filosofie is er geen consensus over welk antwoord de voorkeur verdient. Een antwoord op de vragen, hoe goed beredeneerd ook, wordt altijd beïnvloed door persoonlijke overtuigingen. In deze zin berust wetenschap ook op bepaalde “convictions and beliefs”, die zich dus niet zo scherp van “science” laten scheiden als art. 6 van de Draft Resolution wenst. Het moeras is dieper dan je zou willen.
De natuurwetenschappen leggen zichzelf een bepaalde beperking op. Deze beperking vormt tegelijk de grond voor bepaalde sterkten en grenzen van natuurwetenschappen. Zij beperken zich op bepaalde algemeen erkende informatiebronnen (b.v. experimenten) en bepaalde algemeen erkende verklaringspatronen (b.v. causale natuurwetten). Daardoor worden natuurwetenschappelijke resultaten (meestal) algemeen erkend. Bovendien leveren experimenten resultaten op, die men bijzonder eenvoudig kan toepassen.
Maar door deze beperking kan het ook gebeuren dat bepaalde vragen, die men graag zou willen onderzoeken, open moeten blijven. Creationisten proberen, een vraag die hen interesseert door toevoegen van extra informatiebronnen (bijbel) en verklaringspatronen (wonderbaarlijk ingrijpen Gods) te beantwoorden. Vanzelfsprekend verlaten zij daarmee de natuurwetenschap; daarom is creationisme geen natuurwetenschappelijke theorie. (Dat, op zich genomen, hoeft nog niet te betekenen dat het onwaar is. Maar daarover een andere keer.)
Ik juich toe als de grondslagen van natuurwetenschap duidelijker onderwezen worden, zoals artt. 100f. van het Memorandum noemen. Helaas wordt uit art. 18.2 van de Draft Resolution te weinig duidelijk, dat ook de fundamentele grenzen en beperkingen van natuurwetenschappen onderwezen moeten worden. Uit onwetendheit over deze grenzen stellen sommigen te groot vertrouwen in natuurwetenschappelijke kennis. Of ook te klein, zoals de creationisten voortreffelijk illustreren.
„Evolutie” wordt in het rapport in twee verschillende betekenissen gebruikt, die men duidelijk moet onderscheiden.
Als men dit onderscheid helder maakt, wordt duidelijk dat het creationisme geen serieus gevaar voor hedendaags (b.v. medisch) onderzoek is. Het loont niet al te veel energie ertegen te verspillen. Wel een gevaar kunnen overdrijvingen van het creationisme zijn, die dit onderscheid ook niet maken en daarom evolutie in de eerste betekenis of zelfs alle natuurwetenschap afwijzen. De Draft Resolution toont tenminste dat zij aan het kortere eind zitten dan degenen die de betekenis van natuurwetenschap overdrijven. Gelukkig maar?
September 2007, David N. Jansen